|
Wandelen en fietsen in Olen - Wandelgemeente 2005 |
|
Olense
Legendes “Wie Olen zegt, denkt automatisch aan “de Pot” en aan “de Keizer”. Weinigen weten echter dat het vooral “de Boeren van Olen” waren, die Olen zijn faam hebben bezorgd. Voor de buitenstaander lijkt het een bende onbeholpen kerels, maar wij, Olenaars, zijn er fier op dat zij dankzij hun schranderheid én Keizer Karel konden strikken én ons dorp bekendheid bezorgden door de eeuwen heen.”[1] Deze
woorden geven de fierheid van de Olenaar weer. Deze fierheid leeft nog steeds in
Olen. De bekendste legende waar Olen zijn grootste bekendheid aan te danken heeft is die van het verhaal van de pot met de drie oren, maar daarnaast zijn er ook nog enkele andere sagen.
Daar was te Olen een herberg waar men goed bier verkocht. Ook liet Keizer Karel, wanneer hij jaarlijks ter jacht kwam, nooit na er een pot te pakken. Hij hield te paard voor de deur stil, bestelde, en de vrouw kwam buiten met het schuimende gerstenat. Zij hield echter de pot bij het oor vast, zodat Keizer Karel moeite had hem aan te nemen. “Vrouwke, tegen aanstaande jaar moet ge een pot kopen met twee oren, dat zal gemakkelijker zijn.” “Ja,
meneer,” zei de vrouw. ‘t
Volgend jaar hield Keizer Karel weer aan de herberg stil. De vrouw kwam nu met
een pot met twee oren, maar zij hield de twee oren in de handen, zodat Keizer
Karel weer moeite had hem aan te nemen. “Zo gaat
het nog niet goed, vrouwke. Ge zult er tegen aanstaande jaar een moeten kopen
met drie oren. Dan zal ‘t wel beter gaan.” Het derde
jaar, toen Keizer Karel weer aan de herberg stilhield, kwam de vrouw met een pot
met drie oren. Zij hield hem weer met twee oren vast en wel zó dat het derde
oor naar haar borst was gekeerd. “Ja
vrouwke,” zei Keizer Karel, “’t zou al even moeilijk gaan als verleden
jaar, indien ik niet wist dat er een derde oor was.” Onder de
pot door greep hij het derde oor vast. “Zie, zo
is alles maar een weet”, sprak hij. En de herberg waar dit zoveel honderd jaar geleden gebeurd is, bestaat nog altijd te Olen. En de pot wordt er nog altijd bewaard. Ga er maar eens heen en ge zult uit de pot van Keizer Karel mogen drinken, zoals ik er eens uit gedronken heb. Keizer
Karel en de rijstpap[3]
“Gevonden!” riep de man, “gevonden! Nergens kunnen ze zo’n goede rijstpap koken als bij ons; wel, we zullen de keizer enige schotels rijstpap aanbieden!” Iedereen
keurde het voorstel goed en de burgemeester liet afkondigen dat alle huismoeders
een lekkere pot rijstpap moesten koken, tegen de dag dat de keizer komen zou. De ochtend
van de grote dag stonden al de boeren klaar aan het gemeentehuis, ieder met een
schotel rijstpap in de hand. “Wat
moeten wij nu doen,” vroegen de boeren, “als we bij de keizer komen?” “Luister,”
antwoordde de burgemeester, “ik zal voorop gaan; gij hebt me maar te volgen en
te doen wat ik u zal voordoen.” De boeren,
met hun burgemeester aan het hoofd, stapten processiegewijs naar de herberg waar
Keizer Karel zijn intrek had genomen. Dat verliep goed, maar toen ze binnen
waren, gleed de burgemeester ongelukkig uit en viel met de rijstpap en al voor
de voeten van de keizer, en de pap – die wat dun gekookt was – spatte op de
benen en de voeten van de keizer. Toen de
boeren dat zagen, wierpen ze allemaal hun schotels voor de keizer op de grond,
en vielen daarbij plat op hun buik, net zoals zij het de burgemeester hadden
zien doen. De burgemeester zag rood van gramschap en schreeuwde zo hard hij kon:
“Scheidt er uit, domkoppen!” “Scheidt
er uit, domkoppen!” riepen de boeren luidkeels als uit één mond. “Lap!”
zei de burgervader, en hij gaf de boer die het dichtst bij hem stond zo’n
duchtige smoutpeer om zijn oren, dat hij met de benen omhoog in de rijstpap
vloog. Dat hadden de boeren nog maar gezien, of ze begonnen elkaar oorvegen uit
te delen dat het klonk. ‘t Was me daar een leven gelijk een oordeel. Klets! Klets! - ging het, de ene klap na de andere en al de boeren, de burgemeester inbegrepen, sloegen echt aan het vechten en rolden holderdebolder over de vloer en spartelden in de rijstpap. ‘k Laat u denken hoe ‘t er gesteld was: heel de vloer vol rijstpap en scherven, en de boeren van onder tot boven volgesmeerd met rijstpap! Ondertussen zat de keizer daar te lachen, te lachen, dat hij zijn buik moest vasthouden. ‘t Was waarschijnlijk om er iets van te krijgen. Eindelijk stond de burgemeester recht en trok er beschaamd vandoor, gevolgd door al de boeren. De geschiedenis voegt eraan toe dat de keizer de Olenaars die dag goed getrakteerd heeft, om hen te belonen voor het vermaak dat ze hem verschaft hadden.
Een
koe op het dak[4] Het was altijd wat met de Sint-Martinuskerk. Om te beginnen werd ze op de verkeerde plaats gebouwd, maar daar was nu niets meer aan te doen. Dan was men vergeten een opening te laten voor de deur, zodat de parochianen met een ladder via de galmgaten van de toren de kerk in moesten klimmen. Dan waaide voor de zoveelste keer de haan van de toren. Vandaag
was er echter wel iets bijzonders aan de hand. Dat vonden ook de pastoor, de
burgemeester en de raadslieden die allemaal naar omhoog stonden te turen. In de
dakgoot bleek mals gras van wel een halve roede hoog te zijn gegroeid. Een
deuropening kan worden gekapt, een haan kan op zijn plaats worden gezet, maar
hoe maai je in hemelsnaam gras dat in een dakgoot groeit. Na intens
overleg werd besloten het karwei te laten klaren door een koe. Maar hoe krijg je
een koe in een dakgoot? Met veel vakmanschap werd eerst een stelling getimmerd. Daarna werd een touw gelegd om de nek van Blare, boer Hermans beste koe, en vervolgens werd het dier met man en macht door middel van een katrol naar omhoog getrokken. “Hey!
Ho! Hey! Ho!” Boer
Hermans zag hoe zijn spartelende Blare haar tong uitstak. “Jezus Maria Jozef” riep hij. “Ze likkebaardt al!”
De boeren van Olen waren soms ook wel slim – op hun manier – zoals blijkt uit deze anekdote. Eens had Keizer Karel bevolen de oppervlakte van Olen te meten om aan de hand daarvan de belastingen te regelen, die de Olenaars zouden betalen. De veldwachter werd met de meting belast; maar in plaats van een gewone roede te gebruiken, nam hij een dennenspar van twee roeden lang. Het verslag van de grondmeting werd als volgt opgesteld. “Almachtige
Keizer der Nederlanden, de oppervlakte van ons dorp is zoveel… roeden, met onze
roede gemeten.” Het gevolg was dat de Olenaars maar de helft van de verschuldigde belastingen moesten betalen.
De driekantige boeren uit Sint-Jozef-Olen wilden niet langer uitgelachen worden omdat hun kerk niet in het midden van de parochie stond. Alle mannen kwamen op een zomeravond bijeen aan de kerk en begonnen onder de kundige leiding van onderpastoor Dirckx tegen de kerk te duwen. “Eentweedrie: ja! Eentweedrie: ja!” Boer Baart
kreeg het er behoorlijk warm van. Hij trok zijn jas uit en rolde zijn
hemdsmouwen op. Even later passeerde er een bedelaar. “Een geschenk uit de
hemel! Mijn gebeden zijn eindelijk verhoord!” riep hij, en ging meteen met de
jas aan de haal. Toen de
duisternis begon in te vallen, kreeg boer Baart het koud. Hij wilde zijn jas
weer aantrekken maar kon hem niet meer vinden. [1]
Uit: “BRUYLANTS JAN, De Boeren van Olen, Auctor, 1994, pag. 5
(voorwoord)” Dit boek was een onderdeel van de grootse activiteiten, die
plaats vonden in 1994 ter gelegenheid van het duizendjarig bestaan van Olen. [2]
Uit: “LOX, Harlina, Van stropdragers en de pot van Olen,
Davidsfonds/Literair, 1999, pag. 85” [3]
Uit: “LOX, Harlina, Van stropdragers en de pot van Olen,
Davidsfonds/Literair, 1999, pag. 99” [4]
Uit: “VAN DEN BROECK, Walter, De Driekantige Boeren van Olen, Olen,
2000” [5]
Uit: “LOX, Harlina, Van stropdragers en de pot van Olen,
Davidsfonds/Literair, 1999, pag. 96” [6]
Uit: “VAN DEN BROECK, Walter, De Driekantige Boeren van Olen, Olen,
2000” Tekeningen:
Steven Wilsens
|